Soms is het toch allemaal raar. De hele dag met z’n drieën op mijn kleine kamertje ontnuchteren. Letterlijk en figuurlijk. We keken naar een serie en af en toe keek ik naar de bulgaar en ik kon geen gevoelens aflezen op zijn gezicht. Dat kan ik nooit omdat hij ze amper toont en ik maande mezelf aan om geen affectie te verlangen. Hij kan ze toch niet geven.
Gisteren begon de nacht vroeg en hij leek nooit te eindigen. Twee gekke meisjes kweelden mee met marginale muziek en dansten en zongen tot Home Boudewijn daverde onder hun voeten. En zij vonden de weg naar het erasmuscafé en dansten nog meer en de bulgaren keken toe en fronsten af en toe maar soms leek het alsof het goed was.
Het is vreemd om je verleden naast je te zien lopen en niet goed te weten wat ermee aan te vangen. Het is heel vreemd om te zien hoe hij nog steeds hetzelfde is als toen hij hier woonde en nog steeds hetzelfde als hoe hij was toen ik naar Bulgarije ging. Enkel mijn perceptie, mijn verwachtingen en verlangens zijn veranderd doorheen de maanden. En het besef is er eindelijk dat er ondanks alles iets ontbreekt tussen ons.
Ik was zo dol op hem omdat hij anders keek naar de wereld, omdat hij me zoveel leren kon en omdat hij zo grappig kon zijn, en creatief, en verdomd mooi soms en ik weet als hij lachte dat ik even niet meer wist hoe het zat. Maar nu ik gewoon bij hem ben en we als vrienden zijn ben ik niet meer zo onder de indruk. Hij is nog steeds duidelijk anders dan een doorsnee kerel en zijn brein werkt altijd op volle toeren en hij ziét dingen, hij ziet altijd de zaken helder. Het is gewoon alsof er iets ontbreekt tussen ons, alsof er een muur tussen ons staat waar veel woorden en emoties op afketsen omdat hij de essentie van wat ik bedoel niet vat. En het is misschien de taal. Maar het is vooral zijn onvermogen om in de huid van een jong romantisch meisje te kruipen. Hij begrijpt me echt niet. Dat is de conclusie. Hij snapt het niet. Hij mist iets waardoor hij me anders inschat dan ik ben.
Het zal nooit iets worden tussen ons. Niet nu, niet in februari, niet wanneer hij hier een jaar zal zijn. We leven met ons hoofd op een compleet andere planeet en hebben nog geen manier gevonden om verre reizen te maken. Althans niet die reizen.
Maar hoe warm word ik vanbinnen wanneer hij me aanraakt en hoe vertederd ben ik door zijn lieve gezicht. Het zijn de resten van een lang verhaal dat straks zachtjes en met een glimlach toch een beetje goed afloopt. We moeten leven in de realiteit las ik onlangs. Ik hou mijn ogen en mijn hart open.








